|
De dijken waren tot in het midden van de negentiende eeuw niet berekend voor hun taak en die in de Liemers zeker niet, omdat men hier aan een buitenbocht ligt van de rivier de Rijn. Herhaaldelijk zijn de dijken doorgebroken en dat bracht met zich mee, dat op de plaats, waar de dijken bezweken door de geweldige watermassa’s grote gaten werden uitgekolkt vlak achter de dijkbreuk van meerdere meters diep. Het materiaal uit deze gaten, ook wel waaien of wielen genoemd, werd vlak achter deze gaten weer neergeslagen. Vlak bij het wiel het grofste, verder af, naarmate het water zijn stroomsnelheid kwijt raakte, werden de afzettingen steeds fijner en ook dunner; men noemt dit de overslaggrond. In het begin van de
twintigste eeuw kwam men erachter, dat deze gronden voor de uitoefening van de tuinbouw bijzonder geschikt zijn.
Bron:
- A.W.A. Bruins en A. Vetter, Focus op Zevenaar, Zaltbommel, 2001.
- Liemers Lantaern van 25 oktober 1952, 20 juni 1953 en 31 juli 1954.
- J.W. van Petersen, De waterplaag, Dijkdoorbraken achter Rijn en IJssel, Zutphen, 1978.
- L.J. Pons, Aantekeningen over het ontstaan van de bodem van de Liemers, In: De Liemers, Gedenkboek Dr. J.H. van Heek, Didam, 1953.
Volgende
onderwerp: Gemeente
 |