|
Liemers Verleden
Archieven
Wehl
ABC
Wehl - Tienden
Slechts een enkele zeer sterke onder de lezers zal zich wellicht nog kunnen
herinneren dat er in Wehl tienden werden geheven. Wat moet er nu precies
verstaan worden onder tiendheffing en tiendrecht? Oorspronkelijk was het een
door, of ten behoeve van, de kerk uitgeoefend recht op een evenredig deel
(meestal 1/10, vandaar de naam 'tiend') van de gewassen op bepaalde, door
anderen gebruikte, grond en van de op die grond geworpen jonge beesten (in het
laatste geval meestal bloed tiend of krijtende tiend genaamd). Ook bestonden er
tienden op nieuw ontgonnen land, de zogenaamde novale tiend. In de loop der
tijden is door allerlei oorzaken het tiendrecht een grotendeels niet-kerkelijke
aangelegenheid geworden. In Wehl werd een groot aantal tienden geheven, die in
de 18de en 19de eeuw geheel of grotendeels tot de vaste inkomsten van de
Heerlijkheid behoorden. In de 18de eeuw is er reeds sprake van o.a. de
Lommentiend en de Pennings- of jagermeesterstiend. Toen in 1895 de Heerlijkheid
werd verkocht aan jonkheer Mr. L.C.C.O.M. van Nispen tot Sevenaer, behoorden
daarbij ondermeer de volgende tiendblokken:
de Broekhuizer tiend
de Wardsche tiend
de Zweerdsche tiend
de Groote Laar tiend
de Kleine Laar tiend
de Hoender tiend
de Broeksche tiend
de Boddenbroeksche tiend
de Baarslagsche tiend
de Kleefslagschetiend
de Schepeltiend
Als tiendplichtige vruchten van deze tienden der Heerlijkheid Wehl golden rogge,
haver, boekweit, gerst en tarwe, van welke gewassen de tiende schoof
verschuldigd was, onder aftrek evenwel van 1/5 daarvan ten behoeve van de
grondbelasting, zodat de tiend uiteindelijk neerkwam op twee van elke
vijfentwintig schoven. In de loop van de twintigste eeuw kwam er steeds meer
verzet tegen het middeleeuwse tiendrecht, onder meer vanwege het feit dat de
tiendheffer wel de vruchten plukte van de investeringen van de tiendplichtige,
maar niet bijdroeg in de kosten daarvan. Als hinderlijk werd ervaren dat de
tiendplichtige zijn oogst niet mocht binnenhalen voor de tiendheffer zijn
aandeel had afgezonderd, en tenslotte was er nog het nadeel dat de
tiendplichtige maar al te vaak geneigd was zo weinig mogelijk tiendplichtige
gewassen te verbouwen, met alle nadelige gevolgen voor wat betreft de gezonde
vruchtwisseling. Er waren dan ook weinig oude rechten, waartegen zoveel verzet
bestond als het tiendrecht. Dat ook de Wehlenaren het als een onbillijk recht
beschouwden blijkt wel uit een bericht in de Graafschapbode van 13 augustus
1892: Wehl. De boeren in Noord-Braband maken oproer over de tienden. De boeren
hier en in de omstreken zijn slimmer, dat kan Graaf van Hohenzollern getuigen.
Aan dezen heer moeten vele landbouwers hier en uit den omtrek tiend opbrengen.
Vroeger was het de gewoonte, dat deze tienden in het openbaar werden verkocht,
maar nu geen der boeren meer bood, liet de graaf zelve de tienden inoogsten. De
landbouwers echter, ook niet van gisteren, namen het graan dadelijk na het
maaien mee naar huis om het daar te laten drogen, of plaatsten het op een in de
nabijheid gelegen tiendvrij stuk grond, zodat wanneer de bedienden van den graaf
kwamen, zij weer onverrichter zake naar huis konden gaan. Nadat de wet sinds
1872 reeds afkoop van tienden had mogelijk gemaakt, werd het tiendrecht bij de
Tiendwet van 1907 per 1 januari 1909 opgeheven en vervallen verklaard. Een groot
deel der tiendrechten was toen al afgekocht; voor het overige deel gold een
schadeloosstelling van Rijkswege.Volgende onderwerp:
Uitbreidingsplannen
 |
|
|
Terug naar de vorige pagina
|