|
Liemers Verleden
Archieven
Wehl
ABC
Wehl - Landbouw
Heel lang zijn landbouw en veeteelt voor het merendeel der inwoners de bron van
inkomsten geweest. De hogere en betere gronden werden het eerst als akkerland in
gebruik genomen. Meestal hebben (of hadden) ze grillige kavelvormen. Bij
latere ontginningen, ook nog in de middeleeuwen uitgevoerd, zien we vaak een
rechthoekige, langgerekte vorm.
Een grote beslotenheid kenmerkte eeuwenlang het agrarisch bedrijf. Men verbouwde
hoofdzakelijk voor het levensonderhoud van eigen gezin en vee; daarnaast zo
mogelijk ook nog voor de verkoop op de markt of aan opkopers. Het land kon maar
spaarzaam bemest worden, doordat er weinig vee was; en er was weinig vee,
doordat de grond weinig wintervoer opbracht. Zo was de cirkel rond.
De minder goede grond was vaak begroeid met heide of hakhout. Ook was er de
nodige woeste grond. Pas de opkomst van de kunstmest - eerst enkele generaties
terug - kon de vicieuze cirkel doorbreken. Natuurlijk zijn er talloze andere
factoren te noemen, die tot verbetering van kwaliteit en kwantiteit hebben
geleid, zoals: doelmatiger werktuigen (honderd jaar geleden werden bijvoorbeeld
de houten ploegen geleidelijk door ijzeren vervangen), uitbreiding van het
areaal cultuurgrond, verbeterde vruchtwisseling, bestrijding van veeziekten. Na
1900 speelde de verbetering van de plantenrassen en van de veeslagen een grotere
rol, terwijl ook de dierziektebestrijding, de kennis van de
veevoedersamenstelling en de mechanisatie een productieverhogende invloed
hadden.
Om 'n beeld te geven van het areaal aan verbouwde gewassen, halen we enkele
cijfers uit het gemeenteverslag aan:
| |
in 1875 |
in 1910 |
| rogge |
535 ha |
563 ha |
| tarwe |
60 ha |
31 ha |
| haver |
86 ha |
181 ha |
| boekweit |
130 ha |
21 ha |
| aardappels |
174 ha |
148 ha |
De opbrengst steeg geleidelijk. Over deze twee jaren zijn de gemiddelde cijfers
bijvoorbeeld: voor rogge 14 en 30 mud per ha; voor aardappels 45 en 135 mud per
ha! Doordat 1910 een slecht tarwejaar was, geeft de statistiek hier geen juist
beeld van het gemiddelde: 17 resp. 18 mud per ha. In 1905 werd 28 mud tarwe per
ha opgegeven, Als we bedenken dat in onze dagen een ha tarwe wel 45 mud kan
opbrengen, wordt duidelijk, dat we de ontwikkelingen in onze eeuw zonder meer
stormachtig kunnen noemen.
In de aard van het besloten gemengde bedrijf ligt al verankerd, dat de veeteelt
er een onmisbaar onderdeel van was. Over dezelfde jaren als van de
landbouwproducten geven we nu een veestatistiek:
| |
in 1875 |
in 1910 |
| paarden |
120 |
156 |
| ezels |
1 |
- |
| runderen |
1225 |
1950 |
| schapen |
21 |
78 |
| geiten |
287 |
307 |
| varkens |
453 |
2016 |
| hoenders |
1166 |
12800 |
| bijenkorven |
339 |
147 |
Bezinning, studie en samenwerking (veelal coöperatief) kwam vooral op gang als
gevolg van de grote malaise, die de landbouw in de jaren 1878-1895 meemaakte.
Het aanbod van goedkoop Amerikaans graan verstoorde de wereldmarkt danig en
haalde de Nederlandse landbouw vanuit zijn zelfverzorgende gesloten wereldje
binnen in het internationale economische patroon van vraag en aanbod.
De samenwerking kreeg op vele terreinen gestalte:
we noemen het ontstaan van de onderafdeling Wehl van de Gelders-Overijsselse
Mij. Van Landbouw (1894), de coöperatieve zuivelfabriek (ook 1894), de Coöp.
Aan- en Verkoopvereniging ('Boerenbond', 1906), de Coöp. Landbouwers
Handels Vereniging (Coöperatie', 1914) en de standsorganisatie, zoals de
A.B.T.B. (1918) en J.B.T.B. (1933). In de jaren '50 zette een proces van
bedrijfsvergroting en specialisatie in. Mede door de stijging van de
levensstandaard moesten de meeste kleine bedrijfjes, als zijnde onrendabel in de
daaropvolgende jaren worden opgeheven, veelal bij gebrek aan een opvolger. Twee
simpele getallen geven duidelijk aan, hoe ingrijpend dit proces is geweest: in
1947 was nog 58% van de mannelijke Wehlse beroepsbevolking in de landbouw
werkzaam; in 1960 was het percentage reeds tot 34% gedaald.
Wie zijn gedachten laat gaan over de enorme veranderingen in de laatste vijftig
jaar - van zicht en mathaak via aflegger en zelfbinder naar maaidorser; van
koppeltje scharrelende kippen op het erf naar eindeloze legbatterijen; van
boerensteun naar superheffing - zal moeten erkennen, dat niet alle
schaalvergroting automatisch vergroting van harmonie en voldoening inhoudt.
Volgende onderwerp: Molens
 |
|
|
Terug naar de vorige pagina
|