Men mag er van uitgaan, dat brand in vroeger dagen nog erger was dan thans. De
bouwwijze met veel hout, riet en stro en het gebruik van open vuur was bepaald
niet bevorderlijk voor de brandveiligheid. In de bebouwde kom was het dan ook
een hele toer, een brand tot één pand beperkt te houden. En een tweede verschil
met vroeger is, dat de blusmiddelen van toen in onze ogen volstrekt onvoldoende
waren, om van de verplaatsingssnelheid er van maar te zwijgen. Als we lezen dat
in 1755 'die Brandspritzen' van Doetinchem naar Wehl moesten worden gehaald -
wellicht met paard en kar, misschien te voet - kunnen we, gewend als wij zijn
aan de snelheid waarmee het moderne materieel ter plaatse is, ons hoofd schudden
over de toenmalige brandbestrijding. Maar men kende nu eenmaal geen betere
middelen.
Helemaal zonder blusmiddelen was men trouwens niet. Brandemmers van
leer of linnen en brandkolken of -tonnen waren al heel vroeg bekend, brandhaken
evenzo. Minder bekend is de 'brandhark'; Wehl schafte er in 1754 enkele aan voor
het geval dat er op de heide brand zou uitbreken. Bosbrand is ook een gevreesd
fenomeen. Op 8 september 1854 ontstond er brand in de bossen van jhr. Van
Nispen; deze was aangestoken, toen iemand geen vergunning had gekregen om dennenaalden (een geliefde brandstof voor de kachel) te verzamelen.
Geleidelijk aan
werd de brandbestrijding beter geregeld. Dit gebeurde niet alleen door de
aanstelling van brandmeesters voor de verschillende buurtschappen en verbetering
van de blusmiddelen, maar ook door preventieve maatregelen. Een daarvan was de
geregelde controle van de schoorstenen. Ook bevatten de politieverordeningen
verschillende bepalingen over het omgaan met open vuur. Zo was het verboden
buitenshuis te lopen met een brandende pijp, die niet met een dop was afgedekt,
of zich met een niet afgeschermd licht op deel, stal of hooizolder te bevinden.
Omdat de gemeenteraad op 11 april 1859 een nieuwe algemene politieverordening
aannam, waarin 22 artikelen aan het voorkomen en blussen van brand waren gewijd,
met daarnaast een verordening op de 'persoonlijke diensten, waartoe de
ingezetenen der gemeente kunnen worden opgeroepen', kan men dat tijdstip
beschouwen als het begin van het georganiseerde Wehlse brandwezen.
Wij willen
deze korte beschouwing besluiten met een opsomming - vrij willekeurig - van een
aantal branden, die, voor zover ze in twintigste eeuw plaatsvonden, misschien
herinneringen zullen oproepen.
sept. 1835 zeven percelen in de kom van het dorp
april 1842 acht percelen in de kom van het dorp (waaronder een armenhuis waarin
vier gezinnen woonden en een school)
dec. 1856 boerderij 'Het Biezenslag' in het
Broek
aug. 1870 bakkerij, winkel en tapperij van wed. A. Rasing
nov. 1872 H.
Reuling
febr. 1924 standerdmolen van C. te Boekhorst
okt. 1925 Th. Hendriksen,
Nieuw-Wehl
dec. 1926 B. van Raay
nov. 1928 Th. Zweers
mei 1930 G. ten Oever
sept. 1930 M.J. Kaal
aug. 1931 J.G. Baars
juni 1932 C.J. van Straaten
dec. 1933
P.A. Coenen
mei 1934 G.J. Martens
mei 1935 B. Lucassen
april 1936 Erven LamersDe geschiedenis van de Wehlse brandweer is beschreven door brandweercommandant,
G.M. van de Graaf in 'Wehl en zijn brandweer, vroeger en nu' (Wehl, 1983). (ruim
50 bladzijden) Volgende onderwerp:
Folklore
 |