|
Liemers Verleden
Archieven
Wehl
ABC
Wehl - Banken
Met het voorbeeld van Didam voor ogen, waar al in 1897 een boerenleenbank tot
stand was gekomen, begon in het begin van de vorige eeuw een aantal leden van de
plaatselijke afdeling van de Geldersche Boerenbond voor een dergelijke
instelling in Wehl te ijveren. Dankzij de niet aflatende zorg van met name A.
Ketelaar, voorzitter van die afdeling, kon op 21 februari 1902 de
oprichtingsacte van de Wehlse Boerenleenbank worden getekend. Het eerste bestuur
bestond uit J.A. Hooyman (voorzitter), A. Ketelaar, H. Brugman en H.Th.
Lucassen, allen landbouwers, alsmede G. Busink, smid. Tot kassier werd (om te
beginnen voor fl. 25 per jaar) benoemd de gemeentesecretaris en oud-koster R.G.
Pollmann, die zondagsmiddags van vier tot vijf, dus na de late mis, te zijnen
huize zitting hield.
Het eerste jaar telde de coöperatieve boerenleenbank 26
leden en werd aan spaargelden ontvangen
fl. 42171,36, terwijl aan voorschotten
werd uitgegeven fl. 1630. De verlies- en winstrekening gaf dat jaar een nadelig
saldo te zien van fl. 135,78. Een jaar later echter boekte men een winst van 93
1/2 cent, welk bedrag het jaar er op zou uitgroeien tot fl. 7,69 1/2. Ook het
ledental steeg: van 26 in 1902 via 39 in 1903, 48 in 1904 en 57 in 1905 tot 64
in 1906. In het laatstgenoemde jaar boekte men een totale winst (d.w.z.
inclusief die uit vroegere jaren) van fl. 173,91 1/2. Er waren toen 65
spaarbankboekjes in omloop, terwijl er 46 voorschotten uitstonden. Nu de bank
vijf jaar bestond moest helaas geconstateerd worden dat het ledental vergeleken
bij andere plaatsen beslist klein te noemen was. En, wat ernstiger was, veel
leden spaarden noch leenden ook maar een cent bij de Wehlse bank. Reeds in 1905
werd er in de ledenvergadering over geklaagd dat 'van de 48 leden slechts 11 hun
spaargelden in deze bank brachten; het is toch zeer moeilijk aan te nemen dat
van de overige leden geen enkel persoon nu of dan niet eenig spaargeld over
heeft. Ieder lid wordt derhalve dringend uitgenoodigd toch geen gelden in een
andere spaarbank te beleggen...'. Om voor de hand liggende redenen gaven velen,
en misschien niet de minst kapitaalkrachtigen, er klaarblijkelijk de voorkeur
aan bankzaken buiten hun woonplaats af te doen. Hadden de op 'schending van
ambtsgeheimen' gestelde boetes waaraan de bestuursleden onderworpen waren (fl.
10,- bij de eerste keer, fl. 20 bij de tweede keer en vervallenverklaring van
het lidmaatschap bij de derde keer) dan niet voldoende indruk op de cliëntèle
gemaakt?
Niet alleen bestuurders, maar ook de leden waren 'boetplichtig',
tenminste voor zover het 't bijwonen der ledenvergaderingen betrof. Bij
afwezigheid zonder geldige reden verbeurde men een kwartje, terwijl op te laat
komen een bedrag van tien cent was gesteld.
Dat de ledenvergaderingen steeds
plaats vonden op zon- of kerkelijke feestdagen had vooral een practische reden.
Men moest dan toch in het dorp zijn voor het vervullen der kerkelijke verplich-
tingen. Er heeft overigens vele tientallen jaren lang een hechte band bestaan
met de r.k. kerk. De eerste jaren was de pastoor president van de raad van
toezicht, en na 1912, toen de bank zich van de centrale Raiffeisenbank te
Utrecht losmaakte en zich aansloot bij de (Katholieke) centrale Boerenleenbank
in Eindhoven, traden de plaatselijke zieleherders op als 'geestelijk adviseur'.
Ze hadden een vrij belangrijke stem in het kapittel, onder meer waar het de
bestemming van de 'overwinst' betrof. Daaruit werden immers jaarlijks subsidies
verstrekt aan allerlei nuttige instellingen, zoals de vereniging ziekenzorg, de
veekeuring, het geitenfonds, de varkensfokdag, het patronaat, etc., maar ook
t.b.v. priesteropleidingen van onvermogenden. Behoudens een inzinking tijdens de
crisisperiode bleef de bank gestadig doorgroeien. Zo steeg bijvoorbeeld het
spaartegoed van fl. 3800 in 1902 tot fl. 344.000 in 1932 en fl. 1.756.000 in
1952. De voorschotten bedroegen in die jaren respectievelijk
fl. 1630, fl.
290.000 en fl. 556.000.
Gedurende meer dan een halve eeuw bleef de kassier het
enige personeelslid en hield hij bank aan huis. Deze toestand duurde tot 20 mei
1959, toen aan het Beatrixplein nr. 4 een ruim en van alle gemakken voorzien
gebouw werd betrokken. Op 1 januari 1968 kwam een fusie tot stand met de
boerenleenbanken te Nieuw-Wehl en Kilder. Voor de toen ontstane Coöperatieve
Boerenleenbank Wehl en Omstreken werd het oorspronkelijk voor tientallen jaren
bedoelde gebouw al spoedig te klein. Op 2 april 1970 verhuisde men naar het
huidige bankgebouw aan de dr. Blomstraat nr. 1. En ook dat is inmiddels al weer
enige malen verbouwd.
Welk een stormachtige groei de bank, sinds 1973
Raffeisen-Boerenleenbank en sedert 1978 kortweg Rabobank genoemd, deze laatste
jaren doormaakte, kan worden geïllustreerd door het bedrag der spaartegoeden. In
1962 overschreed het voor het eerst de vier miljoen, zeven jaar later was het
bedrag verdrievoudigd en in 1985 bedroeg het al meer dan 51 miljoen gulden! Het
personeel groeide navenant: van één personeelslid, voor wie het kassiersschap
niet meer dan een bijbaantje betekende, in 1959 tot 30 in 1985, of, in kosten
uitgedrukt, van fl. 11000 tot fl. 1.535.000. Tijdens de 85 jaren van haar
bestaan had de bank slechts vijf kassiers (in 1970 kreeg de kassier de titel van
directeur) in dienst: R.G. Pollmann, 1902- 1907; L.J.V. Vreuls, 1907-1937; H.J.
Plijner, 1937-1959; H.J. Reusken, 1959-1967; G.J.J. van Engelen, 1967-
Behalve
de Boerenleenbank Wehl zijn er nog twee banken binnen het gebied van de gemeente
werkzaam geweest: de eerder genoemde Boerenleenbank Nieuw-Wehl, die in 1930 tot
stand kwam en slechts een gering aantal leden telde (in 1950 een twintigtal) en
de Gemeentelijke Spaarbank Wehl, sinds 1.1.1926 Spaar- en Voorschotbank der
Gemeente Wehl. De laatstgenoemde bank werd, nadat de gemeenteraad op 7 december
1915 tot de oprichting er van had besloten, geopend op 26 februari 1916. Hoewel
bepaald niet verliesgevend (gedurende de jaren 1916-1922 werd een winst gemaakt
van fl. 600) moest de bank in 1926 - het totale tegoed der inleggers bedroeg
toen fl. 34000 - haar werkzaamheden staken omdat de administratie de toenmalige
secretaris- boekhouder , tevens gemeentesecretaris, boven het hoofd was
gegroeid. Een jaar later vond de liquidatie plaats.Volgende
onderwerp: Bestuur
 |
|
|
Terug naar de vorige pagina
|