|
DE
MAALDERIJEN VAN DIDAM
VAN MOLENS TOT FABRIEK
De molens
in onze contreien waren windkorenmolens, in feite maalderijen.
Dat is
het uitgangspunt van het nieuwe boek dat door de auteur met medewerking van de
oudheidkundige vereniging Didam wordt uitgegeven.
Door de
uitvinding van machines en motoren kon ook het malen op de windmolens hiermee
gebeuren. De molenaar was daardoor niet meer afhankelijk van de nukken van de
wind; velen kozen lange tijd voor een combinatie van beide
aandrijfmogelijkheden. Was er geen gratis wind, dan gebruikte men de motorische
aandrijving. Met een eenvoudige constructie kon de wiekenas uitgeschakeld en de
motor ingeschakeld worden.
Daarnaast
ging men over tot het benutten van twee aparte eenheden, men plaatste in een
extra ruimte één of twee koppels stenen en dreef die aan met een motor. De
windmolen bleef dan gehandhaafd als tweede eenheid, hij kwam ook op de tweede
plaats: van hoofdbedrijf werd hij een aanvullende bedrijfseenheid. Door
uitbreiding van de motorische maalderijen vervielen veel molens op den duur tot
(bedrijfsmatig) nutteloze, dure bouwwerken.
Instellingen of particulieren die met een maalderij wilden beginnen, waren
duidelijk in het voordeel bij de windkorenmolenaars. Zij konden bij wijze van
spreken in hun schuur een koppel stenen plaatsen en aandrijven met een motor.
Ook de ontwikkelingen in de maalderijwereld konden zij gemakkelijker realiseren.
De windkorenmolenaars moesten daarin meegaan wilden ze het hoofd boven water
houden. In Didam lukte dat lange tijd de eigenaren van de Korenbloem en de St.
Martinusmolen.
Het boek
is in een aantal hoofdmoten verdeeld, te weten: de windmolens als maalderijen
(vier stuks), de landbouwcoöperaties met hun maalderijen (de ‘Boerenbond’ en De
Vruchtboom) en de particuliere maalderijen (zes stuks). Er is, naast de
technische ontwikkelingen in de windkorenmolens en de andere maalderijen, veel
aandacht besteed aan de geschiedenis van de landbouwcoöperaties. Zij speelden
een belangrijke rol in de productie, verwerking en afzet van granen, meel en
mengvoeders.
Uiteindelijk zouden alle particuliere maalderijen in Didam, en vele in naaste
omgeving, opgaan in mengvoederfabriek Agruniek in Didam. Daaraan is een kort
afsluitend hoofdstuk gewijd.
De inhoud
van dit boek staat model voor de maalderijgeschiedenis in veel andere plaatsen.
Naar inschrijfformulier, klik
hier.
|