|
1. Een bron van informatie Vroege bouwvergunningen
geven vaak zeer interessante informatie over bijvoorbeeld het bouwproject (vaak
met tekening), de locatie (met oude adresaanduiding, al dan niet met straatnaam
die soms intussen weer verdwenen is), het kadastraal sectienummer (waarmee men
terug kan naar de situatie in 1832 of vooruit kan naar de latere situaties en
eigenaren). Ook kan men bepaalde ontwikkelingen waarnemen: als er in een korte
tijd veel bouwaanvragen voor een kippenhok gedaan werden, dan floreerde
blijkbaar de pluimveehouderij. En natuurlijk is het leuk om een handgeschreven
briefje te vinden van een voorouder voor de aanvraag van een bouwvergunning.
2. Inleiding
De bemoeienis van de overheid met de woningbouw dateert
van 1901, toen de Woningwet werd aangenomen. Vóór die tijd bemoeide de overheid
zich niet met het probleem van volkshuisvesting. Dat probleem was echter
levensgroot. In de tweede helft van de negentiende eeuw trokken veel mensen van
het platteland naar de steden, op zoek naar werk in de opkomende industrie.
Woonruimte was er nauwelijks. De onderkomens die gecreëerd werden tartten elke
beschrijving en hadden weinig menselijks. Op den duur drong het tot steeds meer
mensen, voornamelijk de beter gesitueerden, door dat er aan de mensonterende
situaties iets moest gebeuren. Langzamerhand ontstonden zo de
woningbouwverenigingen, gesticht door kapitaalkrachtige burgers en fabrikanten.
Woonellende was er ook in de plattelandsgemeente Didam.
Nol Tinneveld stelde dat rond 1900 ook in deze regio nog veel daghuurderwoningen
stonden. Eenvoudige huisjes van half-steense muren met een dak van deels stro,
deels dakpannen. Kleine tochtige en vochtige onderkomens, overbevolkt met grote
gezinnen. Vóór die tijd waren (delen van) muren zelfs nog samengesteld uit een
houtconstructie, dichtgevlochten met wilgentenen en aangesmeerd met leem.
Daarnaast spreken natuurlijk de spaarzame foto’s van ‘woningen’ op de Diemse Hei
boekdelen. Overigens toont correspondentie van de gezondheidscommissie met B en
W van Didam aan dat deze situaties nog tientallen jaren voortduurden. Een enkel
voorbeeld: een ‘woning’ in Holthuizen werd in 1927 bewoond door het echtpaar
Schuurman met zeven kinderen, alsmede door het echtpaar Claassen met zes
kinderen, terwijl in een aangebouwd hok ene Jansen verbleef. De
slaapgelegenheden waren zó beperkt dat de meeste kinderen op deel sliepen, zelfs
een varkenshok was als slaapkamer ingericht.
3. De Woningwet
Uiteindelijk begon ook de overheid in te zien dat zij in
feite een belangrijke taak had bij het huisvesten van minderbedeelden. Dat
resulteerde in 1901 in de Woningwet die op 1 augustus 1902 in werking trad. Op
rijksniveau zou nu de financiering van de sociale woningbouw geschieden, maar
daarbij stelde men uiteraard voorwaarden. Het bouwen van de zogenaamde
woningwetwoningen werd overgelaten aan de gemeenten en woningbouwverenigingen (waarin
vaak gemeentebestuurders vertegenwoordigd waren). De bouw moest in het belang
zijn van de volkshuisvesting en mocht geen speculatief karakter hebben.
Daarnaast stelde de overheid
voorschriften vast waaraan de woningen minimaal moesten voldoen. De gemeenten
dienden die voorschriften vast te leggen in een bouwverordening. Ook konden zij
eigenaren van woningen dwingen verbeteringen aan te brengen. Verder mocht een
gemeentebestuur op grond van medische, sociale of technische aspecten een woning
onbewoonbaar verklaren.
Gesteld kan worden: volkshuisvesting werd een rijkszaak, de uitvoering een
gemeentetaak.
[De Woningwet werd diverse malen aangepast waarbij ook de woonomgeving (het
leefklimaat) steeds meer aandacht kreeg. De laatste wijziging dateert van 1
april 2007, met als voornaamste kenmerk het feit dat de bouwregelgeving nu meer
ligt bij de eigen verantwoordelijkheid van de burger, de eigenaar van een
onroerend goed.]
4. Gemeentelijke bouwverordening
De gemeenteraad van Didam stelde in 1904 de eerste
bouwverordening vast. In 1908 besloot men al tot een aantal wijzigingen van de
tachtig artikelen tellende ‘Verordening, houdende voorschriften, als bedoeld in
Artikel 1 der Woningwet, voor de gemeente Didam’. Het betroffen wijzigingen van
de minimale afmetingen van woonvertrekken, materiaalsoorten, regels voor de
brandveiligheid en de wijze van aanvraag van een bouwvergunning.
5. Bouwvergunningen
Als iemand, in die beginperiode, een onroerend goed wilde
bouwen, vroeg hij daarvoor vergunning aan B en W middels een handgeschreven
briefje (soms uit een schoolschrift). De bouwer, meestal een timmerman, tekende
op een willekeurig stuk papier de plattegrond van bijvoorbeeld de woning en
stuurde die mee met de aanvraag. De vergunning kwam meestal per kerende post; op
een klein dorp kende iedereen iedereen en was men goed bekend met de
plaatselijke situatie.
De bouwvergunningen kregen daarom nog geen apart
inventarisnummer in de gemeentelijke administratie. Het aantal vergunningen was
nog zó beperkt en, zoals gezegd, de situaties en de aanvragers zó bekend, dat de
ambtenaar ‘blindelings’ de gegevens in het archief kon vinden. De
bouwvergunningen werden gewoon tussen de ingekomen stukken opgeborgen. Pas in
1923 stelde men een apart inventarisnummer vast voor de vergunningen. Dan blijkt,
vooral voor grotere bouwwerken, meer tijd te liggen tussen aanvraag en
vergunning. Dat kon het geval zijn als een deel van het gebouw onder de
hinderwet viel (o.a. smederijen) of als de toestemming van de
schoonheidscommissie vereist was. Een voorbeeld van het laatste is de aanvraag
in 1928 door het bestuur van de St. Albertusstichting om het gebouw uit te mogen
breiden met een kapel. De Geldersche Schoonheidscommissie oordeelde: ‘Het oude
gebouw is van een vormgeving welke weinig fraai en althans verouderd moet worden
genoemd. Wil men den aanbouw meer modern opvatten, dan moeten de details goed
zijn, en dit laatste laat vrij veel te wensen over’, waarna een lijst met
kritische opmerkingen volgde. De architect paste het plan aan en een maand later
ging de schoonheidscommissie akkoord. Opmerkelijk is dat in een bepaalde periode
een aparte ‘vergunning tot bewoning’ werd afgegeven, na controle van de
nieuwbouw door de gemeentearchitect.
5.1. Inventarisatie
Door de ingekomen stukken vanaf 1890 na te lopen –
daarvóór is hooguit sporadisch sprake van een bouwaanvraag – konden eerdere
vergunningen gelokaliseerd worden. De vroegste (en enige van dat jaar) dateert
inderdaad van 1890: bakker Gradus Burgers wilde een bakkerij bouwen in zijn pand
aan het huidige Lieve Vrouweplein nummer 7. Alle documenten werden ontdaan van
schadelijk materiaal (paperclips, nietjes, e.d.) en per set opgeborgen in een
zuurvrije omslag. Elke omslag kreeg een opvolgend nummer; de vergunning van
Gradus Burgers heeft dus nummer 1 (van serie 1). De volgende fase bestond uit
het vastleggen van de essentiële gegevens met behulp van een voorbedrukte
inventarislijst. Tenslotte werden aan de hand van deze lijsten de gegevens in
een databestand (acces) op de pc ingevoerd. Het grote voordeel hiervan is dat op
elk onderdeel snel gezocht kan worden. Voor 1929 hanteerde de gemeente
incidenteel volgnummers. Na die tijd zijn het ‘gemeentenummer’ (uitgezonderd
1935) en het nieuwe volgnummer naast elkaar vermeld.
De bouwvergunningen zijn in de volgende drie perioden
verdeeld:
Serie 1: 1890 t/m 1915 Serie 2: 1916 t/m
1939 Serie 3: 1940 tot heden
De series 1 en 2 zijn openbaar, met uitzondering van
‘kwetsbare’ gebouwen zoals politiebureaus, bankgebouwen en gebouwen van
defensieve aard.
Na het raadplegen van de betreffende serie kan men de
gewenste bouwvergunning ter inzage vragen (telefoon: 0316-291391; per e-mail:
gemeente@montferland.info,
locatie: gemeentearchief 's-Heerenberg). De betreffende ambtenaar
bepaalt in hoeverre de akte openbaar is en op welke wijze er een afschrift van
de documenten verkregen kan worden.
5.2. Het zoekprogramma

Een deel van serie 1 van de bouwvergunningen.
5.3 Toelichting
op het zoekprogramma
Toelichting van
links naar rechts (in de leesrichting):
| 1) Nummer: |
nieuwe volgordenummer van de
omslagen (vergunningen). |
|
|
| 2) Vergunning: |
oorspronkelijk nummer (indien
aanwezig), gegeven door ambtenaar afdeling bouwzaken. |
|
|
| 3) Jaartal: |
jaar waarin de vergunning is
afgegeven. |
|
|
| 4) Datum: |
datum van vergunning (niet van
aanvraag); indien geen precieze dag bekend is, is de eerste van de maand
aangehouden. |
|
|
| 5) Aanvrager: |
in feite eigenaar van bouwwerk;
soms vroeg de architect, een aannemer of een bestuurder van een instelling
of bedrijf de vergunning aan; in dat geval is uiteraard de eigenaar vermeld. |
|
|
| 6) Kadastraalnr.: |
geeft samen met kadastrale sectie (zie
7) de bouwlocatie aan. |
|
|
| 7) Kadastrale sectie: |
geeft samen met kadastraalnummer (zie
6) de bouwlocatie aan. |
|
|
| 8) Adres: |
locatie van bouwproject; soms is
het onduidelijk of het gaat om het adres van de bouwlocatie of van de
eigenaar die elders woont. |
|
|
| 9) Kern: |
volgens indeling van 1832. |
|
|
10/11) Nieuwbouw/
Herbouw: |
bij herbouw staat soms vermeld dat
het pand is afgebrand of gesloopt. |
|
|
| 12/13) Verbouw/Anders: |
verschil is soms moeilijk aan te
geven; verbouw vond veelal plaats als in een bestaand pand een ambacht
uitgeoefend ging worden (bijvoorbeeld een bakkerij); bij ‘anders’ is vaak
sprake van een aanbouw, bijvoorbeeld van een smederij, veestalling enz.; ook
de verplaatsing van een schuur valt hieronder. |
|
|
| 14) Bouwobject: |
geeft in combinatie met 10, 11, 12
en 13 aan wat er gebeurde of gebouwd werd. |
|
|
| 15) Aanvraag: |
betreft zelf geschreven (sommige
tot 1930) of enkel zelf ondertekend verzoek om bouwvergunning; vanaf 1908
gebruikte men voorbedrukte formulieren die ook gegevens bevatten over
afmetingen en te gebruiken materiaalsoorten (het ‘bestek’). |
|
|
| 16/17) Tekening/Soort tek.: |
eerst plattegrond op eenvoudig vel
papier van willekeurige afmetingen; soms op calquepapier; grote bouwwerken
als kerken, ziekenhuis en scholen, in blauwdruk; eerste blauwdruk in 1915 (spoorwegen). |
|
|
| 18) Opmerkingen: |
bijvoorbeeld uit welk
inventarisnummer afkomstig, datum vergunning onbekend, herbouw na brand. |
6. Opmerkingen
1) In de
beginperiode waren de aanvragen voornamelijk van ambachtelijke ondernemers; dit
loopt ongeveer parallel aan de hinderwetvergunningen. De eerste aanvragen
betroffen veelal verbouw van of aanbouw aan bestaande woningen. Zo was het niet
ongewoon om naast een koestal een ruimte voor een bakkersoven te maken.
2) Als er een
bouwvergunning voor een woonhuis werd aangevraagd, blijkt uit de plattegrond dat
de indeling ook bestond uit een geitenhok, varkenshokken, een koestal, een
‘waschhuis’ en een ‘dorschdeel’. Dat lijkt voor vele jaren de standaard indeling.
Later gaf men dit ook wel bewust aan als ‘woonhuis met stalling’, maar zeker
niet altijd.
De tekeningen voor
‘woonhuis met boerderij’ maken duidelijk dat de boerderij een belangrijk deel
van de oppervlakte innam en dat die de bron van inkomsten vormde.
3) Met de gegevens
van punt 5, 6, en 7 kan men met behulp van de kadastrale leggers ‘terug en
vooruit’ zoeken om de (verschillende) aard van het bouwwerk en de eigenaren te
herleiden.
4) Zie 5.3 punt 8:
adres geldend ten tijde van aanvraag; hierbij zij aangetekend:
- oude
aanduiding (letter + cijfer).
- soms is
ook een straatnaam vermeld.
[Van ‘zekere’, nu nog herkenbare adressen zoals ziekenhuis, klooster,
kostershuis en molens, kan verder onderzoek gedaan worden naar oude adressering
in een bepaalde tijdsperiode.]
-
interessant hierbij is dat vanaf circa 1936 op de tekening een situatieschets is
aangegeven van de bouwplaats; hierbij is vaak de oude (soms intussen vervallen)
straatnaam vermeld.
- in latere
fasen heeft een ambtenaar het op dat moment geldende adres op de vergunning
bijgeschreven.
[Dit geeft een beeld van de vernummering van adressen.]
5) Soms werd een
plan ingediend dat uiteindelijk niet doorging. Enkele voorbeelden:
- W. van
Beek wilde de voormalige N.H.-pastorie ombouwen tot twee woonhuizen.
- J.
Peperkamp vroeg een bouwvergunning aan voor een woning naast
mw. Keurschot, tegenover het Albertusgebouw.
6) Tot begin 1900
golden er weinig regels voor het bouwen van een huis. Een schets was zo gemaakt,
een timmerman en metselaar gemakkelijk gevonden. In de bouwverordening van 1904
werden bouwvoorschriften vastgelegd; regelmatige wijzigingen daarop maakten de
voorschriften steeds gedetailleerder en concreter. Een eenvoudige schets was na
de aanvulling van de bouwverordening in 1908 met artikel 48bis, niet meer
voldoende. Vanaf toen moest bij de aanvraag worden bijgevoegd…’eene behoorlijke
plattegrond-, opstand- en doorsnede-teekening, waarop de onderlinge afmetingen
duidelijk zijn aangegeven...’
Daar zorgde een meestertimmerman voor - veelal met een eigen
werkplaats – die dan ook als aannemer functioneerde. Enkele regelmatig
voorkomende namen uit die tijd zijn F. Wolters, W. Stark, J. Wiendels, H. van
Vuuren en L. Otten.
Samenstelling: Henk Stevens, Didam
(Noot webmaster: Henk Stevens is al enkele jaren als vrijwilliger aktief bij het
streekarchivariaat De Liemers en Doesburg en momenteel bezig met het
toegankelijk maken van o.a. de collectie bouwvergunningen.)
|