|
Het oude Didam had een
grotendeels natuurlijke begrenzing van bossen en lage, natte gronden langs de
landweren, leigraven en weteringen. Dat bemoeilijkte de verbindingen met andere
plaatsen. Het linker figuur toont de hoofdwegen naar Doesburg en Wehl,
’s-Heerenberg, Elten en Zevenaar. De Tatelaarweg (naar Zevenaar) is
ongetwijfeld de oudste straatnaam. De andere wegen werden oorspronkelijk
gemakkelijkheidhalve aangeduid als bijvoorbeeld de ‘weg van Didam naar Elten’,
later als Eltenscheweg en heet nu de Dijksestraat.
De zorg voor wegen en bruggen was
een taak van de richter. Hij was gemachtigd om aan-wonenden van wegen op te dragen
aan de weg te komen werken.
Naar de huidige maatstaven
stelden de wegen weinig voor. Ze waren smal en bestonden voornamelijk uit zand
en grind, erg kwetsbaar dus. De slechte staat van de wegen stond regelmatig op
de agenda van de geërfdenvergaderingen. In 1706 ‘wort den Heere Officier
versoght om die wegen in het Ampt te mogen laeten maeken en verbeteren’.
De Tatelaarweg vormde een
belangrijke verbinding tussen Duiven/Zevenaar over Didam naar zowel Wehl als
’s-Heerenberg. Het was regel dat de aanliggende plaatsen meebetaalden aan het
verbeteren van de weg. Didam was bereid het onderhoud geheel voor haar rekening
te nemen op voorwaarde dat ze tol mocht heffen om de kosten te dekken. Dat
mocht in 1818, maar van degelijk onderhoud was vooralsnog geen sprake. [In 1854
mocht ook een tol in de weg naar Beek geplaatst worden.] Archiefstukken
verhalen met grote regelmaat over de slechte staat, overigens niet alleen van
de Tatelaarweg. Ook de kwaliteit van de andere (doorgangs)wegen liet sterk te
wensen over.
Met kleine subsidies van de
provincie werden geleidelijk geringe verbeteringen aangebracht, meestal met
grind. De smalle karrenwielen veroorzaakten hierin echter gemakkelijk sporen.
Door houten balken op de wegen te leggen, werd de voerman gedwongen daar tussen
door te zigzaggen. Van tijd tot tijd verlegden wegwerkers de balken en
repareerden de sporen. Na 1900 gebruikte de gemeente basalt om de wegen te
verharden, ook geen echt succes. Sommige wegen in het buitengebied bleven tot
na de oorlog onverhard. Aanwonenden richtten regelmatig smeekbeden tot B en W
om verbeteringen aan te brengen, mede in het belang van schoolgaande kinderen,
hulpverleners en forensen.
Langzamerhand kwam de gemeente
daarin tegemoet, afhankelijk van de financiële middelen en politieke druk. De
voortgaande ontwikkelingen van wegmaterialen maakten minder onderhoud nodig en
zo konden steeds meer wegen verhard worden.
Bronnen:
A. Tinneveld, Toponymie van Didam (Amsterdam 1973)
J. Thoben en J. Mombarg, De Liemers van Nol Tinneveld (Nijmegen 1984)
Nieuw Archief Didam, Wegen en voetpaden, inventarisnummer 347
Volgende
onderwerp: Zwembad
 |