|
Bijna zestig jaar telde Didam vier windkorenmolens.
De torenmolen van Didam stamde waarschijnlijk uit ongeveer
1440. Generatieslang pachtte de familie Ter Laak deze molen. In 1873 werd J.E.
ter Laak eigenaar. Als voormalig pachter had hij al concurrentie gekregen van
drie andere molens. In 1824 was de roskorenmolen in Loil (aangedreven door een
ros, een paard) omgebouwd tot een windmolen. Hij lag daarvoor echter niet erg
gunstig en wisselde regelmatig van eigenaar. Uiteindelijk besloot eigenaar
Gerritsen tot nieuwbouw. De verbouwde molen liet hij slopen en in 1855 kon de
nieuwe molen met de naam Korenbloem, in werking worden gesteld.
Hoewel de Korenbloem geen
commerciële functie meer heeft, verkeert hij in goede staat en draait hij
regelmatig onder het vakkundig toezicht van eigenaar/molenaar H. Derksen.
Bijna tegelijkertijd met de
Korenbloem in Loil, opende Derk Kempers uit Wehl aan de weg naar Zeddam (nu:
Wilhelminastraat) zijn windmolen met de naam St. Martinus. In 1872 verkocht hij
de molen. In de lijst van eigenaren staan namen van bekende molenaarsfamilies zoals
Ketels (te Didam), Senders (uit Wehl) en Willemsen (uit Etten). De bekendste
naam tot op heden is Strijbosch. Vanaf 1933 als pachter en vanaf 1951 als
eigenaar, vestigden Willem (senior en junior) Strijbosch hun naam als vakman en
molenliefhebber. Vanaf 1997 stond de ‘molen van Strijbosch’ echter stil. Het
verval nam hand over hand toe. Gelukkig kon eindelijk in november 2006
overgegaan worden tot een degelijke restauratie.
In Loil stond nog een tweede
windkorenmolen: ‘de molen van Jansen’. Net zoals de hiervoor besproken molens
was dit er een van het type beltmolen, een molen op (in) een belt (bult) voor
betere windvang. De molen was van 1860 tot 1880 in bezit van burgemeester G.J. van
Embden. De laatste eigenaar was H. Jansen. Hij kon de concurrrentie met de
elektrische maalderijen, waaronder die van de coöperaties, niet aan en verkocht
de molen aan de pastoor van Loil. Die liet hem in hetzelfde jaar (1926) slopen.
In het centrum van Didam was de
‘pletterij’ gevestigd, een rosoliemolen. Daarin werd door paardenkracht een
mechanisme in beweging gebracht en gehouden, waardoor olie uit zaden geperst
kon worden. De olie gebruikte men voor het bakken van levensmiddelen,
verlichtingsdoeleinden en bijvoorbeeld als bestanddeel van verf. De
restproducten werden aan het vee gevoerd. De betreffende molen functioneerde
van circa 1805 tot 1903. Toen moest hij plaatsmaken voor de uitbreiding van het
Albertusgesticht.
Bron: H. Stevens, Didamse molens en molenaars (Didam 2003)
Volgende
onderwerp: Naam
 |