Liemers Verleden Archieven Didam ABC

Didam - Landbouw

Omdat in oude tijden de mensen in deze contreien in eigen levensonderhoud moesten voorzien (er was geen markt, geen handel), zocht men plaatsen waar landbouw en veeteelt mogelijk waren. In de wijde omgeving van de dorpskern ontstonden nederzettingen in de vorm van boerenwoningen. De bewoners waren op elkaar aangewezen in het ontginnen en beheren van de gemeenschappelijke gronden. De beste plaats om te boeren was op de grens van hooggelegen akkerbouwgrond en laaggelegen broekland (weide).

Toen ‘Bergh’ in het midden van de 15e eeuw eigenaar werd van de heerlijkheid Didam, ging zij daar steeds meer goederen aankopen. Op het einde van de middeleeuwen was de grond voornamelijk in handen van uitheemse grootgrondbezitters. Door toenemend geldgebrek van de eigenaren (de adel) en de bedrijfsfilosofie van de belangrijkste eigenaren (Huis Bergh, familie Van Embden), kwamen steeds meer ‘gewone burgers’ in het bezit van eigen grond. Het boeren op eigen grond kwam de productiviteit ten goede. Didam vormde een echte agrarische gemeenschap door het grote aantal mensen dat met boeren de kost verdiende. Andere werkgelegenheid stond meestal in directe relatie tot de landbouw.

Na 1850 profiteerde deze sector mee van de sterke economische groei in Nederland en de omringende landen. De daarop volgende depressies veroorzaakten veel leed onder de plattelandsbevolking. Ze waren echter tevens aanleiding tot initiatieven om de bedrijfstak te professionaliseren. Samenwerken was daarbij het credo, hetgeen leidde tot het oprichten van landbouwcoöperaties, landbouwonderwijs en boerenleenbanken (kredietverschaffers voor boeren). Zo konden tegenslagen gemakkelijker overwonnen worden en gewerkt worden aan de modernisering en mechanisering van de landbouw.

Na de tweede wereldoorlog raakte de landbouw in een stroomversnelling. De groei van de bevolking en de toename van de afzetmogelijkheden waren de voornaamste oorzaken van de spectaculaire groei van de omzetten. Langzamerhand nam echter de belangstelling voor de landbouw af door de Nederlandse en Europese landbouwpolitiek en -wetgeving. Het gemeentebestuur besefte dat andere werkgelegenheid geschapen diende te worden om het arbeidspotentieel op te vangen. Ze ging de vestiging van kleinschalige bedrijven stimuleren en zorgde voor omscholings- en opleidingsmogelijkheden van personeel.

De agrariër die met zijn bedrijf wilde doorgaan, diende een andere invulling aan het ondernemerschap te geven. Schaalvergroting en technische ontwikkelingen in de specialisatie van een product, speelden daarbij belangrijke rollen. Het beeld van het vroegere, veelal gemengde boerenbedrijf is voorgoed verdwenen; Didam is geen echt agrarisch dorp meer.

   

Bronnen:

H. Stevens, 100 jaar bankieren in Didam (Didam 1997)
J. Thoben en J. Mombarg, De Liemers van Nol Tinneveld (Nijmegen 1984)

Volgende onderwerp: Molens

 

Terug naar de vorige pagina