|
Naast algemene jaarmarkten kende
men speciale markten zoals paarden-, varkens- en runder-markten. Vaak plande
men deze markten op (religieuze) feestdagen wanneer er veel volk op de been
was. Omdat dat ook allerlei ‘vermaakslieden’ aantrok, kreeg zo’n markt op den
duur een kermisachtig karakter.
In Didam zien we dit beeld terug: aan de lentemarkt in mei
(meimarkt) werd een kermis gekoppeld. Voor de najaarsmarkt/kermis in oktober
ligt de zaak iets onduidelijker. Wat was er het eerst: de kermis of de markt?
In de agrarische gemeente Didam vormden landbouw- en veeteeltproducten
oorspronkelijk de basis voor de markten. Toename van de hoeveelheden periodiek
aangeleverde goederen en vee, noopten tot het instellen van meer marktdagen.
Als startjaar van de officiële markt wordt 1829
aangehouden. Diverse documenten wijzen uit dat er ook vóór die tijd al markten
in Didam werden gehouden. De markten vonden plaats op openbare wegen. De
varkensmarkt op het driehoekige terrein voor de (huidige) markthal, de
rundermarkt in de Weemstraat (thans Hoofdstraat) vanaf (nu) supermarkt Supercoop
tot aan café Van Antwerpen (nu: Niek Jansen mode). De minder vaak gebruikte
paardenmarkt lag voor het (huidige) gemeentehuis. Gedwongen door overheidsmaatregelen
en ter beperking van de overlast, werd de rundermarkt in 1929 verplaatst naar
het terrein van café De Zwaan (nu: Supercoop). Afgunst tussen de caféhouders
aan de oude marktplaats was er oorzaak van dat er twee, concurrerende veewagen
werden gebouwd.
Begin jaren vijftig was het nagenoeg gedaan met de rundermarkt.
Omzetting tot een T.B.C.-vrije markt gaf een kortstondige opleving, maar het
vormde slechts uitstel van de ondergang van de rundermarkt. De
(geprivatiseerde) marktvereniging had het zien aankomen en accep-teerde het als
een onvermijdelijk gegeven. Ze wilde de resterende markthandel concentreren bij
het terrein van de varkensmarkt. Een overdekte hal zou het hele jaar door
handel mogelijk maken. In 1951 wist men die hal te realiseren. Daarin werden
varkens en kleinvee naast landbouw- en huishoudelijke artikelen verkocht. Om
aan die ongewenste situatie een eind te maken, liet het bestuur in 1955 een tweede hal bouwen, haaks op de eerste.
De woning op het aangrenzende marktterrein werd aangekocht
van het kerkbestuur van de St. Martinusparochie. Hij zou plaats moeten maken
voor de bouw van een derde hal, maar de tanende veemarkten – in 1974 stopte men
zelfs met de biggenmarkt – maakte dat overbodig. Daarom verhuurde men het huis
aan de marktmeester. Het staat (ten onrechte) bekend als het marktmeestershuis.
Thans wordt het monumentale marktgebouw – opgetrokken in de stijl van de
zogenaamde Delftse School – gebruikt voor de vrijdagse warenmarkt, als
autostalling en voor activiteiten als popconcerten, rommelmarkten en exposities.
Bron:
Stevens, H., Van alle markten thuis (Didam 2005)
Volgende
onderwerp: Kerkhoven
 |