|
Tot 1940 was Didam een
plattelandsgemeente met nauwelijks industrie. Veel mensen verdienden hun
boterham in de agrarische sector en in de bouwnijverheid. Er waren wel enkele
aannemersbedrijfjes en bijvoorbeeld klompenfabriekjes, maar dat waren meestal éénmans- of familiebedrijven.
De eerste echte, grotere
werkgever was Abram Milgram.
Hij behoorde tot de vele joden die in de jaren dertig van de vorige eeuw vanuit
het Oosten vluchtten voor het toenemende anti-semitisme.
Milgram begon in een voormalige houtzagerij bij het
station een borduurselfabriek. Het gezin aardde goed in Didam en kreeg in 1932
de Nederlandse nationaliteit. Waarschijnlijk werd kort daarna enige zoon Samuel
eigenaar van de fabriek; in 1933 kreeg hij van B en W de bouwvergunning voor
een forse uitbreiding. De Milgrams boden aan
tientallen Didamse meisjes en jonge vrouwen werk. Door de groeiende internationale
economische crisis en de grote onrust over Hitler’s
bedoelingen, liep de omzet van het bedrijf echter sterk terug tot het
faillissement er op volgde. In de oorlogsjaren dook de familie Milgram onder.
In 1941 vestigde zich in het
leegstaande pand A. Veldhuis uit Den Haag met zijn staalwol- en krullenfabriek
(Metalino). Zijn sympathie voor de bezetter zal daarbij een rol gespeeld hebben.
Het bedrijf verschafte in de goede jaren na de oorlog aan zo’n veertig mensen werk; door automatisering liep dat aantal op den duur terug tot
circa vijfentwintig.
Midden jaren vijftig begonnen
enkele bedrijven voorzichtig met een nevenvestiging in Didam. De Nederlandsche Poetsdoekenfabriek te Arnhem startte hier een
textielbedrijfje voor de productie van overalls. In Arnhem waren weinig
uitbreidingsmogelijkheden. Dat gold ook voor de Ritmeester sigarenfabriek te
Veenendaal. In 1955 opende de directie een modern filiaal aan de Willibrordusweg. Daarnaast bouwde de poetsdoekenfabriek
onder de naam ‘Confectieindustrie De Liemers’ ook een
nieuw pand. Vele tientallen (jonge) mensen verdienden bij deze bedrijven jarenlang
hun inkomen.
De doelstelling van het
gemeentebestuur – plaatselijke arbeid voor de inwoners – leek succes te
krijgen. Door de forse groei werd het voor de bedrijven zelfs noodzakelijk
personeel uit de omliggende plaatsen te werven. In 1957 opende de Deventer
textielfabriek Ankersmit een filiaal in Didam (nu:
‘Schaars Landbouwwerktuigen’). De aanzet tot de belangrijke ‘industriële
ontginning’ van Didam was op gang gekomen. Een actief vestigingsbeleid met
gunstige voorwaarden, de aanleg van industrieterreinen en de goede
bereikbaarheid daarvan zijn de oorzaken van de enorme groei van de industriële
bedrijvigheid in Didam.
Bronnen:
H. Stevens, De lotgevallen van de joodse inwoners van Didam, in: Bezetting en bevrijding van Didam 1940 –
1945 (Didam 1995)
H. Stevens, De geschiedenis van de Ritmeester sigarenfabriek in Didam, in:Oaver Diem nummer 14 (Didam 1999)
Weekblad De Liemers, oktober 1961 en mei 1966
Volgende
onderwerp: (Jaar-)markten
 |