Liemers Verleden Archieven Didam ABC

Didam - Heide

Buiten de bossen van Didam (Dyem) lag eeuwenlang zo’n 150 hectare heidegrond. Het maak-te deel uit van een groter heidegebied dat zich uitstrekte van Elten tot Wehl. De hei werd door de Didammers als weinig waardevol beschouwd en was daardoor een soort vrijhaven voor iedereen die zich daar wilde vestigen.

Na de Franse tijd (1814) beheerde het gemeentebestuur de gemeentelijke gronden, waaronder de hei. Ze liet oogluikend toe dat arme mensen ‘een hutje op de hei’ bouwden. Om de verantwoordelijkheid voor dit gebied van zich af te wentelen, ging het gemeentebestuur over tot verkoop van de gronden aan enkele grootgrondbezitters en aan mensen die er al woonden.

De levensomstandigheden van de bewoners van de hei waren slecht. De behuizing was klein en primitief. Dat gold ook voor de middelen van bestaan. Het gevolg was dat de mensen gingen improviseren met hetgeen de natuur om hen heen bood. Ze werden zeer creatief in het zoeken naar en het maken van producten die geld opleverden. Bekend was het bezembinden, stoelenmatten, grassnijden, bosbessen plukken, vangen van siervogels, eekschillen en het rooien van boomstronken. Het stropen van wild werd eerder als een recht dan als een delict gezien. Daarnaast was het smokkelen van levensmiddelen lang (en zeker in oorlogstijden) een lucratieve bezigheid.

Pas na 1900 kwam er enige kentering in de beroerde levensomstandigheden van de heide-bewoners. Het gebied werd beter toegankelijk gemaakt en de kwaliteit van de woningen werd verbeterd. Er vormden zich enkele nieuwe buurtschappen die men ´Den Bosch´ en ‘De Mei-kamer’ noemde. Toen in 1910 aan de Smallestraat de R.K. kerk gebouwd werd, ontstond daaromheen een meer gereguleerde bebouwing. De samenvoeging van (delen van) verschillende buurtschappen kreeg de naam Nieuw-Dijk.

     

Bron

J.Thoben en J. Mombarg, De Liemers van Nol Tinneveld(Nijmegen 1984)

Volgende onderwerp: IJspret

 

Terug naar de vorige pagina