|
Binnen de gemeentegrens van Didam lagen in de 17e eeuw
opvallend veel havezaten. Althans, goederen die als zodanig werden aangeduid:
Avesaet, Baerle, Bodenclauw, Bonen-berg, Dijk, Friesick, Geulecamp, Haagh,
Heegh, Hees, Kerckhove, Lockhorst, Loil, Luyn-horst, Manhorst, Nevelhorst,
Oldegoor, Oldenhof, Overenk, Schadewijck, Udenhof, Vincwijc.
De betekenis van het begrip
‘havezate’ is niet éénduidig. In basis betrof het een wat groter, stenen gebouw
dat omgeven was door een gracht en slechts toegankelijk via een ophaalbrug.
Het belang van de adellijke havezatebezitter was de
mogelijkheid om zitting te nemen in de ridderschap en zo, als vertegenwoordiger
van het platteland, deel te kunnen nemen aan het bestuur van Gelre. De Didamse
havezatebezitters kwamen daarvoor niet in aanmerking, ze behoorden grotendeels
tot de lagere (land)adel. Hun goederen lagen voornamelijk in het buitengebied en waren veelal ontstaan uit grotere
boerenbedrijven, gesitueerd op de grens van hooggelegen bouwgronden en laaggelegen
weidegronden. [Omdat de situering voor een groot deel nagenoeg de grens vormde
met Kleefs gebied, wordt weleens ten onrechte beweerd dat de havezaten een
militaire functie hadden.]
Na het einde van de Tachtigjarige Oorlog (1648) poetsten
de eigenaren van de voorname goederen hun zelfvertrouwen op door uiterlijk
vertoon; ze staken zich diep in de schulden door hun boerenwoningen tot fraaie
woonsteden te verbouwen die ze – al dan niet terecht – havezaten noemden.
Alleen de graaf van Bergh erkende de Didamse havezatebezitters door ze daarmee
aan zich te binden voor te bewijzen diensten. Voort wat, hoort wat. Als
‘tegenprestatie’ ontvingen de eigenaren van de havezaten privileges als
belastingvrijdom en zekere jacht- en visrechten.
de veranderende maatschappelijke en persoonlijke omstandigheden kostte het de
jonkers echter steeds meer moeite het onderhoud van de havezaten te bekostigen.
De panden werden verpacht aan landbouwers. Zij hadden geen boodschap aan de
luxe van de woningen, zij gaven de voorkeur aan bedrijfsruimten. Het verval nam
toe en vroeg of laat besloot de eigenaar tot sloop. Daarvoor in plaats liet men
vervolgens een praktische boerderij bouwen. Thans resten in Didam alleen van de
Luynhorst nog slechts enkele middeleeuwse delen.
Bronnen:
A.G. van Dalen, Gelderse historie in de Liemers (Den
Haag 1971)
H. Stevens, De havezate Friesick (Didam 2005) en De havezate Overenk (Didam 2007)
Jaarboeken van de OVD, te weten: 1993/nr. 8 (Manhorst), 1996/nr.11 (Nevelhorst),
1997/nr. 12 (Schadewijck), 2000/nr.15 (Luynhorst)
Volgende
onderwerp: Heerlijkheid
 |