Liemers Verleden Archieven Didam ABC

Didam - Gemeente

De groeiende maatschappelijke onrust aan het einde van de 18e eeuw zou op termijn leiden tot ingrijpende reorganisaties van de diverse bestuursvormen in Nederland. De naar Frankrijk gevluchte patriotten brachten bij hun terugkeer Franse troepen mee om hun eisen tot verande-ring kracht bij te zetten. ‘De macht bij het volk, niet bij een bevoorrechte regentenkliek,’ was hun motto. De Republiek der Verenigde Nederlanden werd veranderd in Bataafse Republiek.

Bij de Staatsregeling des Bataafschen Volks van 1 mei 1798 was voor het eerst in de Neder-landse geschiedenis sprake van ‘gemeenten’ in staatsrechterlijke zin. Daarmee verdween het verschil tussen de rechten en bevoegdheden van het platteland en de steden. Didam ging met de eveneens voormalige heerlijkheden Bahr en Lathum, Westervoort en Keppel tot het ge-meentebestuur van het Ambt Doesburg behoren. Vooralsnog veranderde er op lokaal niveau weinig. De grondwetswijziging van 1801 erkende de lokale zelfstandigheid van gemeenten. Het bestuur van het Departement Gelderland benoemde op 6 oktober 1802 Barthold van Hasselt tot drost (de hoogst verantwoordelijke) van Didam.

Van 1806 tot 1810 was Nederland een koninkrijk met Lodewijk, een broer van Napoleon, als koning. In die periode werd de eerste Gemeentewet vastgesteld; de inrichting van gemeentelijke besturen kreeg vorm. Na de inlijving van Nederland bij het Franse keizerrijk (1811) gold ook hier de Franse gemeentewet. De bestuurslagen omvatten van hoog naar laag: departement (‘provincie’), arrondissement (‘streek’) en kanton (‘aantal gemeenten’). Didam vormde met ’s-Heerenberg en Zeddam, het kanton ’s-Heerenberg (deel van het arrondissement Zutphen, deel van het Departement van den Boven-IJssel). Op bevel van Napoleon werd een begin gemaakt met kadastrale opmetingen om de gemeentegrenzen vast te leggen. Dat zou pas in 1832 afgerond worden en voor Didam tot 2005 nagenoeg onveranderd blijven.

Als vertegenwoordiger van de burgerij stelde men een municipale raad (‘gemeenteraad’) in. Aan het hoofd stond maire Gerrit Roemaat. Na de Franse tijd (1813) kreeg hij de titel van burgemeester, zijn secondanten waren J. ter Laak en A. Thuis. Veel van de oude situatie van vóór 1795 keerde in feite weer terug. Diverse malen werden bij koninklijke besluiten de regelgeving van bestuur veranderd, maar het betroffen geen wezenlijke structuurswijzigingen. De gewone burger had daar geen invloed op en merkte er weinig van.

Met de grondwetsherziening van 1848 maakte Thorbecke een einde aan de verwarrende, ingewikkelde bestuursvormen. Er kwam één uniforme categorie gemeenten. In 1851 ontwierp hij een nieuwe gemeentewet die de samenstelling, inrichting en bevoegdheden van de gemeentebesturen regelde. Op 9 september van dat jaar werden de eerste gemeenteraads-verkiezingen gehouden. De in Didam uitgebrachte 110 stemmen – niet iedereen mocht stemmen – kozen elf raadsleden. Burgemeester G.J. van Embden nam hen de eed af. A. Thuis en W. Damen koos men tot wethouder. Allen behoorden tot de betere klasse. Onderscheid in ‘politieke kleur’ kende men nog niet. Dat kwam later met de zogenaamde ‘verzuiling’. Op grond van geloofsovertuiging en/of maatschappelijke visie ontstonden o.a. de verschillende politieke partijen. De druk die de voormannen van die partijen op geloofsgenoten legden, bepaalde de stemkeuze van hen. In een van oudsher katholiek dorp als Didam vormde de katholieke (christelijke) partij altijd het grootste deel van de gemeenteraad.

Bijna tweehonderd jaar bleef Didam een zelfstandige gemeente. In die tijd werden veel (kleine) gemeenten samengevoegd. Thorbecke vond al in zijn tijd dat de schaalvergroting diende te gebeuren vanwege ‘de gegroeide samenhang tussen de gemeenten, het gebrek aan bestuurskracht in kleine gemeenten, de behoefte aan grond van centrumgemeenten en het feit dat naburige bewoners wel profiteerden, maar niet betaalden voor de voorzieningen van centrumgemeenten’.

De gemeente Zevenaar stelde in 1870 aan de gemeente Didam voor om samen te gaan. De gemeenteraad van Didam vond echter de verschillen tussen beide plaatsen te groot en wees het voorstel van de hand. Een belangrijke periode voor de gemeentelijke herindelingen werd in 1966 in gang gezet met de Tweede Nota over de Ruimtelijke Ordening. Begin jaren tachtig wakkerde de overheid de discussie aan met de Beleidsnotitie Gemeentelijke Herindelingen. In onze regio steeg na de eeuwwisseling langzaam de interesse voor de op handen zijnde her-indelingen. Gemeenten konden in onderling overleg hun voorkeur uitspreken, in de ver-wachting (of hoop) dat de minister met hun keuze akkoord zou gaan.

Voor Didam leek de zaak eenvoudig. Er was al lange tijd veel contact en overleg met naaste buurman Zevenaar. Op tal van gebieden waren samenwerkingsverbanden gerealiseerd, een boekwerkje vol. Voldoende basis voor de realisatie van een centrumgemeente.

Opnieuw hielden B en W van Didam echter de boot af en kozen voor een fusie met de gemeente Bergh (tot de nieuwe gemeente ‘Montferland’). Dit in weerwil van de door de over-heid uitgedragen wijsheid dat fusies ‘niet gericht moesten zijn op historische banden, maar op een zo doelmatig mogelijk bestuur en beheer’.

Op 1 januari 2005 hield Didam op te bestaan als zelfstandige gemeente.

   

Bronnen:

W. Zondervan, Inleiding op de inventaris van het archief van de gemeente Didam (1962)
J. Beursken, Van heerlijkheid naar gemeente, in: Oaver Diem, nummer 14 (Didam 1999)

Volgende onderwerp: Havezaten

 

Terug naar de vorige pagina