|
Vóór 1800 was er in Didam
nauwelijks sprake van brandpreventie. Na de Franse tijd ver-anderde dat. Onder
druk van Gedeputeerde Staten ontwikkelde het gemeentebestuur een be-leid met
betrekking tot de preventie en het blussen van brand. In 1818 kwam een eerste
reglement daaromtrent tot stand. Als er eenmaal brand was, dan bleef er niet
veel anders over dan de verplichte burenhulp om met emmers water de brand te
lijf te gaan, vaak tevergeefs. De huizen bestonden voor een groot deel uit
hout, terwijl de daken veelal met stro gedekt waren. Het water kon uit sloten
of extra voor dit doel gegraven kolken gehaald worden. Naast het vaststellen
van het reglement besloot de raad dat alle schoorstenen van tijd tot tijd
‘geschouwd’ moesten worden om na te gaan of ze geveegd waren en in goede staat
ver-keerden. In 1836 stelde de raad een nieuw brandreglement vast,
gedetailleerder en concreter dan het vorige. Langzamerhand, voornamelijk onder
voortdurende druk van de provincie, kreeg de gemeenteraad meer belangstelling
voor het bestrijden van brand: het materieel en de personele bezetting werden
uitgebreid en door het houden van oefeningen leerden de mannen beter te
handelen bij brand.
Een belangrijke vooruitgang was het slaan van
‘brandpompen’. Deze werden op centrale plaatsen aangebracht, zodat ze goed
bereikbaar waren. Het gebruik van sloten en brandkolken was niet altijd
betrouwbaar: ’s zomers stond het water vaak te laag, ’s winters moest het ijs
soms eerst kapotgehakt worden.
In 1905 besloot de raad tot het oprichten van een vaste
brandweer met een vaste beloning. De training en motivatie van de
brandweerlieden verbeterden daarmee, terwijl de raad beter grip kreeg op de
effectiviteit van de brandbestrijding. Na de ambtsperiode van burgemeester Van
de Poll ging de kwaliteit echter weer snel achteruit, hetgeen leidde tot een
zeer kritisch rapport van de provincie. Burgemeester Kronenburg greep de
initiatieven van zijn voorganger aan om een echte reorganisatie van de
brandweer te bewerkstelligen.
De mobiliteit van de brandweer kwam pas na 1940 op gang.
Er werden betere voertuigen aangeschaft, men ging zich meer toeleggen op
brandpreventie, keuringen van openbare ge-bouwen en scholing van het personeel.
Een eigen onderkomen werd verwezenlijkt met ruimten voor stalling en onderhoud
van de voertuigen en een leslokaal. Met tal van ver-beteringen zoals de
aansluiting van brandkranen op het waterleidingnet, de snelle com-municatie
middels mobiele telefonie, het verder uitbreiden en in goede conditie houden
van het materieel en de goede teambuilding van het personeel, kan gesteld
worden dat het brand-weerkorps thans optimaal is voorbereid op zijn taak.
Bron:
A. Tinneveld, Anderhalve eeuw brandpreventie en brandblussing in Didam (Didam 1975)
H. Stevens, ‘Ter voorkoming en blussing van brand’, in: Oaver Diem nr. 16 (Didam 2001)
Volgende
onderwerp: Cultuur
 |