|
|
|
Liemers Verleden
De nederzetting(De tekst hieronder is letterlijk uit het boek Kruukskes met as, overgenomen en is nog in bewerking. AK, 12 feb. 2013) De vondst in april 1993 van de huisplattegrond (W 6) uit de derde of vierde eeuw na Christus bevestigde het vermoeden dat er mensen op het Hessenveld gewoond hadden (afb. 15, 1-2). Dat het niet om slechts één huis kon gaan, maar dat er een paar gestaan moesten hebben bewees de waterput (13) binnen de huisplattegrond. Deze kon namelijk onmogelijk bij het huis behoord hebben. Waterputten bevonden zich altijd buiten het huis, op het erf. Ook waren er sporen van erfafscheidingen gevonden die dwars door het huis liepen. Die moesten wel bij een iets oudere of jongere bewoningsfase horen. Nadat de laatste opgravingscampagne in het voorjaar van 1996 was afgesloten, bleken er achttien huisplattegronden en een groot aantal bijgebouwen gevonden te zijn uit de derde en vierde eeuw na Christus. Zeven van de achttien huisplattegronden konden compleet worden opgegraven, de resterende elf slechts gedeeltelijk. Opvallend daarbij was dat de grondsporen al duidelijk huisplattegronden lieten zien. Slechts in een enkel geval werden ze pas na de bestudering van de veldtekeningen tussen een wirwar van sporen herkend. Net als bij het eerste huis doorkruisten grondsporen van vroegere of latere bewoningsfasen enkele huisplattegronden. Meerdere huizen bleken op ongeveer dezelfde plaats gebouwd te zijn. Hun plattegronden overlapten elkaar soms geheel (W7, W8 en W9), en soms slechts een klein gedeelte (W14 en W16). Op de vereenvoudigde plattegrond van de nederzetting, op de bijlage achterin dit boek, valt het op dat alle huizen op één na (W2) oostwest gericht zijn. Dit heeft te maken met de overheersende windrichtingen en de invloed van het weer op de huizen. Waarom er één noordzuid gericht was, is niet bekend. De huizen (W1-W18) Hoe zag zo'n huis van de derde en vierde eeuw na Christus eruit? Op de bijlage en de reconstructie van de nederzetting (afb. **, blz. **) is al te zien dat het om rechthoekige gebouwen gaat. Er waren grote en kleine huizen. Of de grootte met de functie van het huis te maken had, of met de status van de bewoners, is niet duidelijk. De huizen op het Hessenveld variëerden in lengte van veertien meter, een klein huis, tot tegen de 35 meter, een huis van flink formaat. De breedte schommelde tussen de vijf en acht meter. De wanden waren gemaakt van vlechtwerk van twijgen waartegen men leem smeerde. Het dak was waarschijnlijk bedekt met riet of stro. De huisplattegronden van de nederzetting op het Hessenveld zijn globaal in twee groepen te verdelen: de een- en drieschepige huizen. Bij eenschepige huizen staan er geen dakdragende palen in het huis, maar tegen de wand (afb. 16). De drieschepige huizen hebben twee rijen dakdragende palen in het huis en zijn verdeeld in een woon- en een stalgedeelte (afb. 17). Deze laatste groep kwam in de eerste eeuwen na Christus met name voor in het noorden van Nederland en Duitsland, terwijl de eenschepige huizen meer naar het zuiden bekend waren. Een aantal huisplattegronden van de nederzetting laat zich vanwege hun vorm of geringe lengte niet in bepaalde groepen indelen. Het noord-zuid gerichte huis (W2) is hier een voorbeeld van (afb. 18). In plaats van in het huis bevindt zich het dakdragende element hier buiten het huis, en wel in de vorm van een greppel waar waarschijnlijk het dak in rustte. Er is in Nederland een groot aantal huisplattegronden uit de eerste eeuwen na Christus bekend. Archeologen gaan ervan uit dat dergelijke huizen gemiddeld dertig jaar mee gingen. Gedurende het gebruik van het huis vonden er diverse herstelwerkzaamheden plaats; men trok de palen eruit en verving ze door nieuwe. Maar na zo'n dertig jaar was het huis "op" en moest een nieuwe worden gebouwd. Al het nog bruikbare materiaal werd uit het oude huis gesloopt en hergebruikt voor het nieuwe onderkomen.
Bijgebouwen (A-K) Behalve de huizen waarin men woonde en waarin het vee stond, stonden er in de nederzetting ook nog een aantal bijgebouwen. Deze waren meestal een stuk kleiner dan de huizen. De onderzoekers hebben elf bijgebouwen in de nederzetting ontdekt, in grootte variërend van vier bij drie meter tot twaalf bij vijf meter (afb. 19-1 en 19-2). De precieze functie van deze bijgebouwen is niet bekend. Wellicht dienden zij als extra onderkomen voor het vee of werden zij gebruikt als opslagplaats. Het is ook mogelijk dat men ze gebruikte als werkschuur voor het uitoefenen van een ambacht. Hutkommen (h1-h20) Een ander gebouwtype dat in de nederzetting stond was de zogenaamde hutkom (afb. 20). Hiervan zijn er twintig aangetroffen. Dit waren hutten die in een grote kuil waren gezet (zie ook **). Over het algemeen neemt men aan dat deze hutten dienst deden als weef- of opslagruimte of als stal en niet om in te wonen. In verschillende hutkommen zijn dan ook attributen gevonden die met het weven te maken hebben, zoals weefgewichten en spinstenen (afb. 21). De resten van een hutkom tekenen zich af als een donker min of meer rechthoekig spoor met aan de twee korte zijden één of soms drie paalsporen (afb. 22). De palen die hier stonden hebben het dak gedragen. De gemiddelde afmeting van een hutkom is zo'n zes bij vijf meter. Er zijn echter ook kleinere en grotere hutkommen bekend. Rondom één hutkom bevond zich een greppel. Hierin stond de wand van de hut. Graanopslagplaatsen (S1-S2) Verspreid over het nederzettingsterrein zijn zeker twee graanopslagplaatsen, ook wel spiekers genoemd, gevonden. Spiekers zijn vier- of meerpalige constructies waarvan de houten bodem zich een meter boven de grond bevond. Dit deed men om te voorkomen dat allerlei ongedierte zich aan het graan tegoed zou doen. Op afb. ** is een spieker te zien in de oosthoek van de nederzetting (links). De waterputten (1-15) Samen met de hutkommen vormen de waterputten de grootste grondsporen die tijdens de opgravingen tevoorschijn komen (afb. 23, 1-2). In de opgravingsvlakken, zo'n zestig tot tachtig centimeter onder maaiveld, zijn ze vanwege hun omvang vaak direkt te herkennen. De grootste waterput van de nederzetting had een diameter van ruim zeven meter. Dat is niet de maat van de waterput of putschacht zelf, maar van de putkuil. Bij het maken van de waterputten, dat volledig handwerk was, moest er eerst een flinke kuil gegraven worden om voldoende werkruimte te hebben. Als de kuil diep genoeg was kon men het onderste gedeelte van de vierkante of rechthoekige houten bekisting plaatsen en verankeren. Dit werk werd met een paar mensen tegelijk gedaan, het grondwater kwam immers snel omhoog en kon de wanden van de putkuil doen instorten. Daarom diende men aan minimaal drie zijden voldoende werkruimte te hebben, zodat ook in geval van nood anderen konden bijspringen. Als de putkuil de vereiste diepte had, normaal gesproken rond het grondwaterniveau of iets dieper, dan drukten de puttenbouwers het onderste gedeelte van de putschacht zo diep mogelijk onder het grondwaterpeil. Of men de afzonderlijke planken pas onderin de kuil samenvoegde of deze al van tevoren met elkaar verbonden had en als één geheel kon plaatsen, is niet bekend. Gezien de constructie van sommige putten zou dit ook niet logisch zijn. Het verankeren van de bekisting gebeurde door aangepunte palen zo diep mogelijk in de grond te slaan of te drukken. Terwijl de ene ploeg de put naar boven toe opbouwde, vulde een andere de putkuil rondom de bekisting met het zand dat eruit gehaald was. Uiteindelijk was er van de ruime putkuil aan de oppervlakte slechts een waterput zichtbaar met een schacht van één tot anderhalve meter in doorsnede. In de nederzetting op het Hessenveld zijn vijftien kuilen opgegraven met een diepte van minimaal 1.75 meter onder maaiveld. Van drie is niet met zekerheid te zeggen of het daadwerkelijk om waterputten gaat (de nummers 9, 10 en 14). De kuilen waren niet dieper dan het huidige grondwaterniveau en hadden onderin geen houtconstructie of resten ervan. Eén kuil (nummer 14) kon slechts gedeeltelijk onderzocht worden, omdat het grootste gedeelte buiten het opgravingsvlak lag. De overige twaalf kuilen bevatten allen houtconstructies en hebben als waterputten voor mens - en vee - gediend. Omdat water een van de eerste levensbehoeften was, moest dit ruim voorhanden zijn. Daarom had elk huis waarschijnlijk zijn eigen waterput (en was men niet afhankelijk van de buren). Bij nadere bestudering van de waterputten valt het op dat elke put een andere vorm of constructie had. Zo werden er nagenoeg vierkante putten gevonden, maar ook rechthoekige, langwerpige en zelfs een ruitvormig exemplaar (afb. 24 en 25). In sommige gevallen waren ze kennelijk in grote haast gemaakt, soms ging het om een degelijke, robuuste constructie met veel hout en takken er omheen gestapeld. De stevige constructies waren ook veel dieper in de bodem ingegraven. In de constructies van een paar waterputten waren duidelijk reparaties aangebracht. Het interessante van waterputten is dat er soms dingen in beland zijn die aanwijzingen vormen voor de leefomstandigheden en gewoontes in de nederzetting. En waterputten gingen toch al gauw zo'n twintig of dertig jaar mee. Enkele waterputten in de nederzetting bevatten honderden scherven. Bij zo'n aantal staat wel vast dat de put, nadat hij geen water meer gaf, als afvalkuil dienst deed. Er waren echter ook waterputten waarin bijna geen scherf gevonden werd. Deze waterputten (nummers 6 en 12) bleken te zijn dichtgestoven en zouden weleens bij de laatste bewoningsfase van de nederzetting kunnen horen (afb. 26). Het is immers niet verstandig om zo'n diepe put open te laten liggen als hij niet meer in gebruik is. Spelende kinderen en dieren kunnen er gemakkelijk in terecht komen. Volwassenen ook. (Germanen na een avondje stappen.) Maar als men de nederzetting verliet, was er geen enkele reden om de waterput dicht te gooien. Nader onderzoek van het hout en de inhoud van deze putten zal uit moeten wijzen of ze inderdaad het einde van de nederzetting kunnen dateren. Van de vullingen onderin de waterputten werden monsters genomen. Behalve resten van insecten en hazelnoten (waterput nummer 11), kunnen in zo'n vulling ook allerlei kleine zaden en stuifmeel- of pollenkorrels zitten die in de put waaiden. Ze zijn echter zo klein dat ze door het blote oog niet in de vulling zijn te herkennen. Daarom worden de putmonsters naar een laboratorium gebracht om de inhoud te bestuderen en te analiseren. Als de putvullingen genoeg herkenbare stuifmeelkorrels en zaden bevatten, vertelt dat weer iets over de planten, bloemen, bomen en gewassen in en rond de nederzetting. Dit palynologisch onderzoek moet voor de waterputten van het Hessenveld nog gedaan worden. (Afbeeldingen: 28, 1-2) Deskundigen hebben de ouderdom van twee waterputten met behulp van de aanwezige jaarringen op enkele palen bepaald. Waterput nummer 2 werd gedateerd tussen 228-234 na Christus en het hout van waterput nummer 1 is gekapt in het voorjaar van het jaar 313 na Christus (afb. 29). De greppels of erfafscheidingen Een van de opvallende kenmerken van de nederzetting zijn de verschillende greppels die tussen, en soms ook door de huizen en anderen gebouwen lopen. Op de bijlage zijn ze met dunne zwarte strepen weergegeven. Deze greppels komen veel voor in opgegraven Germaanse nederzettingen in Nederland en Duitsland. Ze werden aangelegd als erfafscheiding; in de greppels stonden vermoedelijk palen met daartussen twijgen gevlochten of hekken. In een aantal van deze greppels hebben de archeologen namelijk op regelmatige afstanden van elkaar paalsporen gevonden. Door de geringe diepte is het zeer waarschijnlijk dat niet alle greppels bij het opgraven zijn gevonden. Omdat sommige erfafscheidingen duidelijk bij een bepaald huis horen, kunnen ze nuttig zijn bij de datering van een bewoningsperiode van de nederzetting. Als ze bij een huis uit de derde eeuw horen, zullen alle andere greppels die tot hetzelfde systeem behoren ook uit die tijd dateren. Overige sporen Naast de hierboven beschreven sporen en kuilen die te identificeren waren, en op de bijlage vereenvoudigd afgebeeld staan, blijven er nog vele honderden verkleuringen over die (nog) niet te plaatsen zijn. Zo is het voorstelbaar dat men bijvoorbeeld palen plaatste om iets aan op te hangen om te laten drogen of beter te kunnen bewerken, of bijvoorbeeld een windscherm aan te leggen. Daarnaast kunnen er ook structuren zijn geweest, die archeologen niet herkennen omdat ze voor hen onbekend zijn. Verder zijn er enkele kuilen gevonden waarin een soort bekisting gezeten heeft. Tevens kunnen bepaalde kuilen als afvalkuil dienst gedaan hebben, of werd er vuur in gestookt. Doordat alles nauwkeurig is vastgelegd, kunnen toekomstige archeologen met nieuwe ideeën er nog eens naar kijken. De ontwikkeling van de nederzetting Zoals hierboven al is aangegeven bevonden de huizen, bijgebouwen en waterputten zich niet allemaal tegelijkertijd in de nederzetting; er moeten een aantal bewoningsfasen zijn geweest. Om deze ontwikkeling te reconstrueren, werd allereerst gekeken naar de verschillende typen huisplattegronden. De archeologen vergeleken de huisplattegronden van de nederzetting op het Hessenveld met huisplattegronden van hetzelfde type uit andere opgegraven nederzettingen in Nederland en Duitsland. Zo kwamen ze te weten in welke tijdsperiode de huisplattegronden thuis hoorden. De tweede leidraad voor de reconstructie van de ontwikkeling van de nederzetting zijn de andere vondsten uit de nederzetting. Allereerst de duizenden scherven van allerlei formaten aardewerk potten. De bewoners van de nederzetting gebruikten deze potten als kook- en eetgerei en om voorraaden in op te slaan. Van de verschillende soorten aardewerk zijn in het verleden vormgroepen gemaakt zodat soms een redelijk nauwkeurige datering van het gevonden materiaal verkregen kan worden (zie hoofdstukken ** en **). Het importaardewerk geeft over het algemeen een betere datering dan het inheemse aardewerk. De eerste groep kent een grotere variatie in vormen en versieringen en is soms tot op enkele tientallen jaren nauwkeurig te dateren. De vormen en versieringen van het inheemse aardewerk daarentegen zijn veel beperkter in aantal en waren gedurende zeker de tweede en derde eeuw na Christus in gebruik. Deze ruime marge in tijd levert problemen op bij het nader bepalen van de ouderdom van de grondsporen als waterputten, paalsporen en kuilen, waar de scherven in zaten. Behalve de scherven kunnen vondsten zoals munten en bronzen voorwerpen, waarvan bekend is wanneer ze in gebruik waren, een goede datering geven. De verspreiding van al die dateerbare vondsten geeft een idee in welke periode, welke delen van de nederzetting zijn bewoond. (Afb. 30 over twee pagina's.) Uiteindelijk kon de ontwikkeling van de nederzetting globaal worden verdeeld in vier perioden: Periode 1:begon aan het eind van de tweede eeuw na Christus en duurde tot het begin van de derde eeuw na Christus Periode 2:begon aan het begin van de derde eeuw na Christus en duurde tot het midden van de derde eeuw na Christus Periode 3:begon in de tweede helft van de derde eeuw na Christus en duurde tot de eerste helft van de vierde eeuw na Christus Periode 4:begon in de eerste helft van de vierde eeuw na Christus en eindigde aan het einde van de vierde eeuw eeuw na Christus. Deze vier hoofdperioden omvatten elk een aantal huisgeneraties en bestaan op hun beurt weer uit fasen. Bij de weergave van deze fasen gaat het om een van de mogelijke ontwikkelingen van de nederzetting. Absolute zekerheid over het uiterlijk van de fasen en hun opeenvolging is er uiteraard niet. De eerste periode biedt twee mogelijkheden: de nederzetting kan ontstaan zijn met één huis, namelijk W17, of met twee huizen, W17 en W3. In de tweede fase (1b), stond er opnieuw één huis, W11, of twee huizen, W11 en W4. De dateringen zijn niet absoluut. Het was niet mogelijk de juiste begindatum van de nederzetting te bepalen, omdat de vondsten uit de huisplattegronden schaars zijn. De genoemde dateringen dienen slechst als globale leidraad. De tweede periode van de nederzetting kan worden onderverdeeld in twee fasen waarin steeds twee huizen naast elkaar bestonden. De derde periode kan worden onderverdeeld in drie fasen. In fase 3a stonden er nog steeds twee huizen tegelijkertijd op twee erven, namelijk W14 op het eerste en W9 op het tweede erf. Deze huizen werden in fase 3b vervangen door respectievelijk W15 en W8 en tegelijkertijd bouwde men in het oosten op het derde erf huis W5. Ook in fase 3c stonden er drie huizen, namelijk W16, W7 en W2. De laatste, vierde, periode van de nederzetting kan worden onderverdeeld in twee fasen. In fase 4a stonden de huizen W10 en W1. Huis W10 kwam waarschijnlijk voort uit de huizen van het tweede erf en W1 uit de huizen van het derde erf. Het eerste erf uit de vorige periode is verlaten. Ten noorden van dit erf ontstaat een soort industrieterrein dat in de vierde periode zeer aktief wordt benut. De dateringen van een aantal vondsten geven aan dat naast fase 4a er ook nog minstens een fase 4b moet zijn geweest. Zeer waarschijnlijk zijn er toen ook nog een of meerdere huizen geweest, het industrieterrein wordt namelijk langer dan fase 4a benut, en bij bijgebouw J worden ook vrij jonge vondsten gedaan. Uit het bovenstaande blijkt, dat er meestal maar een of twee huizen tegelijkertijd in de nederzetting bewoond waren. In periode drie, de bloeiperiode van de nederzetting, stonden er drie huizen. Uitgaande van zes tot acht bewoners per huis komt de totale bevolking van de nederzetting in die tijd op zo'n achttien tot maximaal vierentwintig personen. Op de bijlage is duidelijk te zien dat sommige huizen maar ten dele zijn onderzocht. Ze lopen verder in de gebieden waar niet opgegraven kon worden. Het is daarom niet zeker dat de héle nederzetting tevoorschijn is gekomen. Het vermoeden bestaat ook dat de nederzetting wellicht iets langer heeft bestaan dan nu lijkt of dat er in bepaalde fasen nog meer huizen bewoond werden. Uitgaande van de bovenstaande gegevens zouden er in fase 1a en 1b zes of twaalf mensen gewoond hebben. In de fasen 2a, 2b en 3a zouden er twaalf mensen, en in de fasen 3b en 3c minstens achttien mensen in de nederzetting geweest zijn. Tijdens fase 4a liepen er twaalf of achttien mensen. De laatste, mogelijke, fase zou zes bewoners geherbergd kunnen hebben.
|
||
|
|